Interview mevrouw Chana Grijsen
Interview met Chana Grijsen
Door Angélique van Oortmarssen
Per abuis is in de laatst verschenen Ad Informatie een onjuiste versie van het interview met mevrouw Chana Grijsen van het Willem Pompe Instituut terecht gekomen. Wij betreuren deze gang van zaken zeer. Hierbij alsnog de juiste versie van het interview.
U bent cum laude afgestudeerd aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. Kunt u iets over uw keuze en verloop van uw studie vertellen?
Toen ik ging studeren had ik nog een lichte twijfel of ik rechten of toch criminologie wilde studeren. De VU in Amsterdam was op dat moment één van de weinige universiteiten die beide studies volledig aanbood. Uiteindelijk is mijn keuze toch op de studie rechten gevallen, wel heb ik tijdens mijn master nog een aantal criminologische vakken gevolgd. De keuze voor de VU was ook deels gemakzucht: ik woonde (en woon nog steeds) in Almere, Amsterdam was het dichtsbij en er was een goede treinverbinding. Verder had ik een aantal open dagen van de VU bezocht en ik kreeg een goed gevoel over de manier waarop de studie was ingedeeld en de docenten. De reden dat ik na het behalen van mijn bachelor de master Strafrecht ben gaan doen was gewoon een gevoel. Het strafrecht is een mooi rechtsgebied, welke veel belangen raakt. Strafrecht raakt bijvoorbeeld ook mensenrechten. Verder is er altijd wel een spannend of interessant verhaal over het strafrecht te vertellen.
Voor mijn afstudeerscriptie heb ik onderzoek gedaan bij de Nederlandse gerechtshoven naar de rol en positie van de politieambtenaar in de artikel 12-procedure van het Wetboek van Strafvordering. Deze procedure is een klachtprocedure voor als het Openbaar Ministerie besluit geen vervolging in te stellen: als slachtoffer of rechtstreeks belanghebbende kun je dan een klacht indienen, welke behandeld wordt door het gerechtshof. In mijn scriptie ging het specifiek om de klachtprocedures waarin politieambtenaren betrokken waren, bijvoorbeeld wanneer er door een politieambtenaar geweld is gebruikt met het overlijden van een burger tot gevolg. Ik heb alle zaken van 2005 met betrekking tot deze klachtprocedure bij de gerechtshoven verzameld. De zaken waarin politieambtenaren waren betrokken, heb ik vervolgens bestudeerd. Met name centraal in mijn onderzoek stond de vraag hoe de procedure in dergelijke zaken in zijn werk gaat, tot welke beslissing de beklagkamer van het gerechtshof is gekomen en op basis van welke argumenten. Dit scriptieonderwerp sloot aan bij het interessegebied van een onderzoeksgroep van de VU waar ik als student-assistent bij betrokken was. Deze onderzoeksgroep, onder leiding van Professor Naeyé, deed onderzoek naar geweld door en tegen de politie. Ik ben dus min of meer in de materie gerold.
Had u (juridisch relevante) baantjes naast uw studie?
Bij het advocatenkantoor Cleerdin & Hamer Advocaten in Amsterdam ben ik ooit begonnen als juridisch secretaresse omdat ik graag in het juridische wereldje wou komen. Vervolgens ben ik daar ook juridisch medewerker geworden en heb ik juridische artikelen gepubliceerd met één van de maten van het advocatenkantoor, Gerard Hamer. Ook ben ik student-assistent geweest van Professor Naeyé. Waarna ik uiteindelijk junior onderzoeker ben geworden aan de VU en nu ben ik Assistent in Opleiding (aio) aan de Universiteit Utrecht (UU).
Hoe bent u bij de UU terecht gekomen?
Na de ervaringen die ik had opgedaan bij de onderzoeksgroep aan de VU, had de wetenschappelijke wereld mijn aandacht getrokken. Promoveren leek mij daarom een mooi begin van mijn carrière. Mijn zoektocht naar een promotieplek is begonnen aan de VU, waar ik een eigen onderzoeksvoorstel heb geschreven dat voortborduurde op mijn scriptieonderzoek. Uiteindelijk is dat niet helemaal gelopen zoals ik wilde. Korte tijd daarna hoorde ik dat aan de UU een promotieplek vrij was, waar al een onderzoeksvoorstel aan was verbonden. Dit voorstel sloot goed aan bij mijn interessegebieden en de ervaring die ik tot dan toe had met het doen van wetenschappelijk onderzoek. Ik heb toen gesolliciteerd naar de plek en ben het geworden. In oktober 2008 ben ik als aio begonnen en ik zal in oktober 2012 klaar zijn.
Waar gaat uw promotie-onderzoek over?
Ik doe onderzoek naar de wijze van registreren en afhandelen van commune discriminatie door de politie in Amsterdam. In Nederland kunnen twee strafrechtelijk relevante vormen van discriminatie worden onderscheiden: specifieke- en commune discriminatie. De eerste vorm van discriminatie is in de artikelen 137c-g en 429quater van het Wetboek van Strafrecht terug te vinden. Commune discriminatie daarentegen is niet in de wet terug te vinden, maar wel in de door het College van procureurs-generaal uitgevaardigde Aanwijzing Discriminatie. Deze vorm van discriminatie bestaat uit allerhande commune delicten zoals belediging, bedreiging of mishandeling die met een discrimnatoire achtergrond zijn gepleegd. Ik heb gekeken hoeveel discriminatiezaken geregistreerd zijn in het jaar 2008 en passages uit de processen-verbaal van deze zaken geselecteerd aan de hand waarvan ik door middel van discoursanalyse onderzoek of en zo ja, welke werkdefinitie de politie hanteert van discriminatie.
Een sociaal wetenschappelijk benadering die bij mijn onderzoek een belangrijke rol speelt is de ‘sociale constructie-benadering’. Deze benadering houdt in dat er niet één werkelijkheid is: wij als mens ‘kleuren’ de werkelijkheid als het ware in, dus dat doen politiemensen ook. Politiemensen interpreteren bepaalde omstandigheden en feiten en schrijven deze vervolgens op in een proces-verbaal. Ik ben aan het bekijken welke elementen of bouwstenen in discriminatiezaken aanwezig zijn en of daar verschillen inzitten bij individuele politieambtenaren.
Wat vindt u het leukst van de functie van aio?
Het aller-leukste vind ik dat je veel vrijheid hebt waarin je je onderzoek naar eigen inzicht kan vormgeven en dat je veel tijd hebt om dit te doen (tot je in je laatste jaar komt, want het moet ook nog af natuurlijk). Aio is één van de weinige banen waarin je aan het begin van de carrière de vrijheid krijgt om naar eigen inzichten een project op te zetten. Het is heel leerzaam. Als ik een minder leuk aspect van het beroep van aio moet benoemen, is het dat het een eenzaam bestaan kan zijn omdat het echt je eigen project is.
Geeft u ook onderwijs?
Ik heb wel onderwijs gegeven, maar niet heel veel: enkel het vak ‘Inleiding Strafrecht’. Met een aio-aanstelling geef je eigenlijk weinig onderwijs, want daarvan wordt je voor een groot deel vrijgesteld om je te kunnen concentreren op je onderzoek. Het is eigenlijk best een luxe dat ik de mogelijkheid heb om me alleen maar met mijn onderzoek bezig te kunnen houden. Onderwijs geven vond ik heel leuk: het leukste eraan vond ik kennis overdragen. Het is mooi dat je je interesse voor een rechtsgebied kunt overbrengen. Veel studenten vinden strafrecht een leuk vak, wat het extra leuk maakt om daarin les te geven. Vooral in het eerste jaar kunnen studenten verbaasd zijn over sommige uitspraken van de Hoge Raad, dat vind ik mooi om te zien en doet me aan mijn eigen studententijd herinneren. Wat ik minder leuk vind aan onderwijs geven, is dat bij het nakijken van tentamens blijkt dat bij sommige studenten de kennis die je hebt proberen over te brengen blijkbaar toch niet goed is overgekomen.
Hoe vindt u dat de theorie van het strafrecht in de praktijk werkt?
Dat is een erg brede vraag die niet zomaar te beantwoorden is. Als ik de vraag benader vanuit de kennis die ik tijdens mijn promotie-onderzoek heb omgedaan, probeert de politie in Amsterdam bijvoorbeeld gewoon naar eer en geweten discriminatie goed te registeren. Wel zou gezegd kunnen worden dat het moeilijk is om de theorie altijd goed in de praktijk in te vullen, ‘theorie’ heet niet voor niets ‘theorie’. De theorie kan afstaan van de praktijk; in de praktijk moet je theorie invullen.
Heeft u nog tips voor studenten?
Het is belangrijk dat je leuk vindt wat je doet. Ik heb mij altijd gericht op waar mijn interesse ligt en waar ik graag meer over zou willen weten. Studeren en leren voor tentamens is volgens mij erg moeilijk en vervelend als je het onderwerp van je studie niet leuk vindt. Een andere belangrijke tip is dat je goed voorbereid bent voor hoorcolleges en werkgroepen. Als je pas vlak voor het tentamen gaat voorbereiden, mis je te veel. Wat ook goed is, is om breder te kijken dan alleen de verplichte literatuur en jurisprudentie. Het kan goed zijn om bijvoorbeeld nog aanvullende jurisprudentie te lezen en de actualiteiten bij te houden.
Wat vindt u van de media aandacht in strafzaken?
Soms kan media-aandacht een zaak goed doen, maar vaak komt het strafrecht niet op een goede manier in de aandacht. De media legt bijvoorbeeld vaak de nadruk op lage straffen die in incidentele gevallen zijn opgelegd. Als het op een verjaardag over strafrecht gaat, wordt ook bijna altijd gezegd dat er in Nederland laag gestraft wordt, maar dit is helemaal niet zo: als je naar omliggende landen kijkt, straft Nederland zelfs hoog. Een rechter legt een bepaalde straf op gebaseerd op alle feiten en omstandigheden uit het complete dossier en niet alle feiten en omstandigheden van een zaak komen tot uitdrukking in de media. Een journalist pikt eruit wat hij of zij belangrijk vindt. Dit is ook precies hoe de ‘sociale constructie benadering’ werkt; iedereen benadrukt wat hij of zij van belang vindt. De krant en andere media zijn een erg machtige middelen waarin de werkelijkheid sociaal wordt geconstrueerd.
Wie is uw grote voorbeeld?
Ik heb niet echt een groot voorbeeld, maar denk nog wel regelmatig met plezier terug aan mijn samenwerking met de advocaat Gerard Hamer. Een man met een grote passie voor het strafrecht. Samen met hem heb ik mijn eerste jurdische artikelen gepubliceerd en heb veel van hem mogen leren. Helaas is hij inmiddels overleden.
Ad Informandum